Afscheidsbrief van mijn vader

Let op: dit korte verhaal gaat over zelfmoord en zelfbeschadiging.

Lieve {{ subscriber.first_name | strip | default: “vreemdeling” }},

Mijn vaders afscheidsbrief lag op het hoofdkussen van mijn bed.

Een blauwe envelop met mijn naam erop gestift. In mijn lijf meteen een gevoel van opluchting. Hoe gek dit misschien ook voor je klinkt.

Met bezwete handen pakte ik de envelop op. Dik papier. De letters van mijn naam in kapitalen geschreven, op z’n Hollands: KLAAR.

Geen idee wanneer het tussen hem en mij ‘Klaar’ werd in plaats van mijn naam Claire. Maar het werd het.

Afscheid via mails, appjes en geschreven post-its op het aanrecht was het altijd in zijn handschrift ‘lieve Klaar’, en in het mijne ‘kusjes, Klaar’.

Klaar.

Ik wilde dat ik nu kon zeggen dat het ook echt klaar was met zijn leven. Zodat hij eindelijk rust in zijn koppie vond, snap je? Maar hij ademde gewoon nog een tijdje door.

Loslaten heeft in onze familie nooit iemand goed gekund.

Ik draaide de envelop rechtop.

Mijn methode voor enveloppen: draai ze rechtop en scheur dan de korte kant eraf. Niets hoefde bewaard te blijven in mijn leven – zeker geen enveloppen. Dus dat was wat ik deed: de envelop kapotscheuren. De brief eruit halen.

Hij was in drieën gevouwen. Het papier was crèmekleurig. Het voelde heel glad aan de vingertoppen. Het rook zelfs luxe. Had hij dit van zijn werk meegenomen?

Ik vouwde de brief open.

Mijn ogen schoten over het papier. Korte alinea’s. Maar één kant beschreven. Met een blauwe balpen. Rechtsboven de datum van gisteren. Linksonder de eerste letter van zijn voornaam: B.

Ik begon met lezen.

Er kwamen geen tranen. Alleen een verhoogde hartslag. En een gevoel van opluchting.

‘Ik wil niet meer’ en ‘dit is het dan’ – dat waren zinnen die ik heb onthouden.

Ik las de brief nog een keer. En nog een keer. Om zeker te weten of hij alles echt meende. Ik twijfelde. Zo’n voorgevoel.

Ik las de zin: ‘maar dat doet er nu niet meer toe’ nog een keer. Netter geschreven dan de andere zinnen. Alsof hij dit met meer aandacht had neergepend.

Het was een zin die hij de afgelopen dagen een paar keer liet vallen.

Zoals in de keuken.

‘De suiker is op,’ zei ik met een open bestekla in mijn hand.

Papa’s logica: de suikerzakjes naast de theelepels leggen. Hij dronk nauwelijks koffie, maar als hij koffie dronk, wilde hij suiker erin. De filterkoffiemachine pruttelde achter me. Hij stond naast me, een boterham te smeren.

Hij zei: ‘Ik drink wel zonder. En bovendien doet het er niet echt meer toe dat de suiker op is.’

Het klonk zo raar. Zo niet op z’n plaats. ‘Het doet er niet meer toe.’ Maar ja, het gewone leven gaat gewoon door na zo’n moment. En toch. Iets knaagde bij het lezen van zijn afscheidsbrief.

We waren niet alleen slecht in loslaten in dit gezin. We hadden ook een goed gevoel voor drama, snap je? Met deuren smijten. Borden op de grond gooien. Door de telefoon schreeuwen: ‘Ik haat je!’

Het was het aspect dat ik het langst verborgen probeerde te houden als ik een nieuwe geliefde had.

Maar ja.

Het is die bal die je onder water probeert te houden. Hoe meer kracht je zet, hoe sneller je de grip verliest en hij zo uit het water omhoog springt. Recht in je gezicht.

Een vriendje noemde me eens ‘psychopathisch’. Een ander noemde me ‘schattig’ nadat ik een broodmes op mijn pols had gezet.

Ik wilde dat ik me niet zo hoefde te uiten om gehoord te worden.

Maar inmiddels weet ik dat het een zinloze gedachtenstroom is.

Je komt alleen maar tot nog dramatischere conclusies. Een cirkel waar je niet in wil zitten.

Bovendien:

De meeste patronen in je leven zijn niet te verbeteren. Alleen in het beste geval iets te dempen. Als een handdoek voor je mond spannen en dan hard vieze woorden schreeuwen. Het bleef hoorbaar, snap je?

Ik vouwde de brief dicht zoals hij hem had gevouwen. Daarna liep ik met de brief in mijn hand naar het raam en keek de tuin in.

Zijn mountainbike stond op het gras, op de standaard. De poort stond op een kier. Het huis was leeg. Daar was ik honderd procent zeker van.

Maar waar zou hij het dan doen?

Waarschijnlijk bij de plas. Door het stukje bos heen wandelen.

Als je haast had, was je binnen twee liedjes bij het water. Ooit werd daar zand gewonnen. Nu was het een plek voor vogels en vissers.

Maar hoe hard loop je daarnaartoe als je een einde gaat maken aan je leven? Een soort dodenmars.

Waarschijnlijk traag. Drie, misschien vier liedjes.

Zijn rit op de fiets van kantoor hierheen was hooguit een kwartier. Hij vertrok op dezelfde tijd als ik van school vertrok. Alleen mijn rit duurde een half uurtje. Hij moest pas net vertrokken zijn vanuit dit huis naar het meertje. Wellicht had hij de brief gisteravond al geschreven.

Even kwam de gedachte op van een touw en een boom. Maar hij was nooit handig geweest met zijn handen. Hij zou er niet eens aan beginnen.

Nee. Als ik me goed genoeg in hem verplaatste, zou hij heel dramatisch het water in lopen.

Net zo ver, tot ook zijn kin het water raakte.

Een sirene klonk.

Misschien kon iemand anders hem nog redden.

Ja.

Dat was wat ik dacht bij het horen van de sirene.

Niet: of ik hem kon redden. Niet: 112 bellen of naar de buren rennen en op hun raam bonzen met mijn vuisten.

Nee.

De gedachte of iemand anders hem nog kon redden.

Hij had de ballen niet om het te doen. Dat was mijn conclusie.

De sirene stierf weer weg.

Mijn hand frommelde het afscheidspapier in elkaar.

Ik liep naar beneden, naar de keuken.

Haalde een pan Unox tomatensoep van gisteren uit de koelkast en zette hem op het fornuis.

De inductieplaat piepte dat er iets op stond. Ik tikte getal 5 in en haalde de deksel eraf. Een soeplepel erin.

Het leidde me een beetje af. Maar de onrust bleef. Wat als hij het wél deed?

Zou ik dan jarenlang achtervolgd worden door de gedachte waarom ik niets deed toen ik de brief vond?

Of zou ik dit gedrag blijven goedpraten?

  • Je kon toch niets doen.
  • Als iemand dood wil, dan wil die dood.
  • Hij is altijd al een dramakoning geweest, dus waarom nu ook niet?

Nu ik terugkijk, zijn het niet deze gedachten die me achtervolgden.

Het was de gedachte waarom ik in godsnaam soep ging warm maken.

Unox tomatensoep.

Goed.

Tijdens het koken ging de poortdeur open.

Het gepiep van het scharnier liet me kijken.

Daar verscheen hij. Natte kleren. Nat haar. Een wat verloren uitdrukking op zijn gezicht.

In mijn lijf: opluchting. En verdriet. Dat ook. Een soort teleurstellingsverdriet of zo – en ik weet nog steeds niet of dat kwam doordat hij juist níét dood was gegaan.

Hij deed de poort dicht.

Elke stap die hij zette naar het huis toe hoorde je: somp somp somp. Hij opende de deur, stapte naar binnen en bleef daar staan.

‘Hoi,’ zei hij.

Opgewekte toon.

Ook dat was dat drama-gen van onze familie.

Lach als je een broodmes op je pols zet om een punt te maken tegen je geliefde. Dat was nu, terugkijkend, inderdaad, schattig.

‘Ben je in het water gevallen?’ vroeg ik.

Dat lange lijf van hem. De versleten groene broek die tegen zijn benen aanplakte van het water. De blauwe zomerlucht achter hem. Wie probeerde zichzelf ook te verdrinken bij 30 graden? Dat moest je bij min 15 doen.

‘Zoiets,’ antwoordde hij.

‘De soep is bijna klaar,’ zei ik.

‘Ik lust wel wat,’ zei hij.

Tomson
Ik doe het altijd met condoom en gebruik nooit drugs

Leave a Comment