Ik lees een boek van een oud-monnik die overal om zich heen godâs werk ziet. Ook al is hij een agnost, en ziet hij het woord âgodâ meer als het grootste wat je nauwelijks kunt bevatten.
Hij bedoelt: als hij in de tuin kijkt en libellen achter muggen en vliegen aan ziet jagen, en creperende kevers op hun rug ziet liggen, dat het hem een bepaalde magie van het leven geeft. Dat je het paradijs van het leven in het klein ziet.
(Zo omschreef hij uiteraard niet zijn tuin. Zo zou Ăk mijn tuin omschrijven. De dood is overal.)
Ik lees ook een dagboek van een controversiële Nederlandse schrijver (ik verklap zijn naam misschien pas als ik het uit heb). Die ziet overal waar hij kijkt theater. De mens die een theaterstuk opvoert voor de ander, terwijl het tegelijkertijd over de werkelijkheid gaat.
Wat me doet denken aan mijn favoriete zuurpruim Arthur Schopenhauer (1788â1860) en zijn levenswerk: De wereld als wil en voorstelling.
We worden allemaal gedreven door âde wilâ om iets te doen of te verlangen. En alles wat we (laten) zien is een voorstelling, niet de werkelijkheid. Behalve kunst. Kunst komt via de omwegen van fictie en expressie het dichtst bij de âwerkelijkheidâ.
Ik heb lange tijd gedacht dat een depressieve staat ons dichter bij de werkelijkheid brengt.
Je doorziet het theater van mensen beter. Je ziet hoe grijs en zinloos en lelijk de wereld eigenlijk is.
Nu twijfel ik daaraan. Of âde werkelijkheidâ wel met bijvoeglijke naamwoorden te omschrijven valt.
Wellicht is de werkelijkheid gewoon âstraatlampâ in plaats van een âgodskolere lelijke grote lange ongeĂŻnspireerde paal als uiting van techniek en beschaving met een brandend lichtâ eraan.
Je mag best weten dat de omslag van het weer me opnieuw zwaar valt.
En de onzekerheid over mijn aankomende boek (sombere hitsigheid ontgoocheld) vreet me vanbinnen op. Waarom koppel ik mijn gehele identiteit aan het uitbrengen van een roman? Alsof mijn schrijverschap stopt als niet genoeg mensen het boek pre-orderen.
Wat natuurlijk helemaal niet zo is.
Sterker nog. Ik hoop dat je gedachten lief voor je zijn (2024) verkocht ik in de pre-order echt zo weinig van dat ik niet eens hier een getal durf te noemen. Terwijl anderhalf jaar later zijn we bijna 6.000 verkochte exemplaren verder (dat getal durf ik wel te benoemen).
Maar het is niet alleen maar angst, hoor. Er is ook een groot gevoel van blijdschap en tevredenheid. Na twee jaar eraan werken.
In een radio-interview vroeg de radiomaker aan schrijver MichĂšl van Egmond (1968) of hij weleens trots voelde na het uitbrengen van een boek.
Weet je wat die zei?
Dat hij vooral blijdschap en tevredenheid voelde. Maar ook een afkeer had voor zijn eigen werk. Als dan de doos met het gedrukte boek verscheen, kon hij het nauwelijks aanraken. Hij keek heel snel even naar de cover of er geen tikfouten in stonden, en legde het boek dan weer terug. Om zich vervolgens te focussen op een nieuw werk.
Eigenlijk zijn alle schrijvers hetzelfde. Hij omschreef mij.
Goed.
Ik moet je nog wat vertellen over de levensfilosofie van Nikos Kazantzakis (1883â1957). Over dat hoofd van ons uitzetten en het lijf laten bewegen. Ik denk dat je het erg kan waarderen.
Later deze week, oké?
Liefs,
tomson
PS
Leuk boek van MichĂšl van Egmond. ‘Writers block’ heet het. Hij heeft de gave om over sportmensen te schrijven zonder over de sport zelf te schrijven.
PPS
De pianomuziek van Jonny Southard helpt me door deze grijze dagen heen. Het album heet life again. Hier een liedje op dat album:
